Rond de bouw van het eerste gemeentehuis te Haps 1859 – 1863


P.J.M. (Pierre) Arts






Om het grote gebeuren te beschrijven, dat Haps in 1863 een eigen raadhuis zou bouwen, is het wenselijk eerst een beeld te geven van de gemeente, in de tijd nu een eeuw geleden, voor wat betreft de samenstelling van het Bestuur, bevolking, bezittingen en e.d.
Uit een gemeenteverslag over het jaar 1859 blijkt dat op 1 januari het aantal inwoners 662 bedroeg, verdeeld in ongeveer 130 gezinnen. Het aantal kiezers voor de Tweede Kamer der Staten Generaal en de Provinciale Staten bedroeg 19 en voor de verkiezing van de Gemeenteraad: 43.
Henricus Mooren was reeds vanaf 1832 Burgemeester en tevens lid van de Raad.
Gerard Thijssen en Jan van den Bungelaar waren de wethouders.
Ant. v.d. Lokkant, Hendr. van Daal, Corn. Laarakkers en Reinier Selten waren leden van de Raad. Secretaris was Renier Reijnen en Joh. Hurkens de gemeenteontvanger. De onlangs wegens ouderdom ontslagen veldwachter Corn. Jans van de Leuvert, die na ruim 40-jarige dienstvervulling een jaarlijks pensioen van f. 50,- (circa € 23,-) uit de gemeentekas was verleend, werd als zodanig opgevolgd door Martinus Engelman. Als verdere personeel van de gemeente wordt vermeld een schoorsteenveger: Arn. Broeks.



Vroegere woning van de Burgemeesters / familie Mooren in de Kerkstraat tegenover de R.K. kerk (1918).



Aangezien de gemeente geen Raadhuis bezat, werd de administratie van de gemeente gevoerd ten huize van de Burgemeester, waar ook de vergaderingen van de Raad en het College van B en W werden gehouden. De gemeente Haps ressorteerde vroeger onder Cuijk, en heeft feitelijk eerst in 1811 een eigen bestuur gekregen. Derhalve bevatte het archief geen stukken van enig belang uit vroegere tijden. Onder de rubriek Geldmiddelen der gemeente wordt vermeld:
Dienstjaar 1859:


Gewone inkomsten:     
1. huur van verpacht bouwland f 46,-
2. rente van gevestigde kapitalen op het grootboek,
bij particulieren en onbetaalde kooppenningen , enz.
f2248,76
3. grondrenten f48,60
4. opbrengst van houtverkopingen f641,45
5. opbrengst van turfverkopingen f138,65
Totaal f3123,46
     
Gewone uitgaven:    
Kosten van gemeentebestuur jaarwedden en kosten administratie e.d. f690,-
idem voor publieke werken f400,-
idem voor grondbelastingen f217,-
idem voor het openbaar onderwijs f250,-
subsidie aan de armen f267,-
verschillende uitgaven f150,-
Totaal f1974,-
     
Als rentegevende kapitalen zijn gespecificeerd:    
a. inschrijvingen op het Grootboek f2600,-
b. vorderingen op particulieren f41699,-
onbetaalde kooppenningen f10000,-
     

Verder worden als gemeentebezittingen vermeld:

 

a) 1. een school met onderwijswoning, in goede staat
  2. een toren, ook in voldoende staat.
b) 1. twee dennenbossen, groot 31 bunder, waaruit dat jaar voor ruim f 640,- hout werd verkocht;
  2. twee bunder bouwland (verpacht voor f 46,-)
  3. 460 bunder heide, weide en moeras, ter grazing van vee der ingezetenen, zonder enige opbrengst
  4. onder Wanroij: 39 bunder slechte veengrond (waaruit publiek voor f 70,- verkocht werd). 66 bunder heide, zonder opbrengst.
  5. onder Mill: 3 bunder 60 roeden turfveen (opbrengst dat jaar f 68,-).


Alle wegen binnen de gemeente en naast de omliggende dorpen waren zandwegen, te samen met een lengte, zoals is vermeld van: “omstreeks 8 uur gaans”. Deze wegen werden, volgens dat gemeenteverslag allen goed onderhouden en bleven op de oude breedte!!! (in latere tijden zal, voor wat betreft het laatste, hier wel eens iets aan gehaperd hebben). Reeds vanaf 1857 waren echte onderhandelingen gaande tussen diverse gemeentebesturen in Oost-Brabant en werden pogingen aangewend ter bekoming van een Provinciale grindweg door deze gemeente van Cuijk naar Haps, via Wanroij naar Gemert, welk plan in 1859 werd gewijzigd in een voorstel tot aanleg van een grindweg van Cuijk, via Haps en Wanroij naar Uden, met aansluiting van een zijtak van Haps over Oeffelt naar Pruissen. Het zou echter nog vele jaren duren voordat dergelijke plannen in uitvoering kwamen.
Het grondbezit van particulieren was ongeveer verdeeld als volgt: 410 bunder bouwland; 140 bunder wei- en hooiland; 90 bunder eiken- en schaarhout; en 250 bunder dennenbos. De woeste gronden der gemeente diende tot grazing van vee en afhakking van heide tot strooisel. De aanwezige veestapel omvatte: 81 paarden, 419 stuks hoornvee, 103 schapen, 130 varkens, 61 geiten en 715 stuks pluimvee. De 14 bijenhouders hadden te samen 96 bevolkte korven, die in 1859: 1050 pond honing en 72 pond was opleverden.
Er waren hier een bierbrouwerij, een olieslagerij, een windkorenmolen, een kuiperij, een klompenmakerij, een stoelenmakerij, twee schoenmakers, een steenbakkerij en drie ijzersmeden, benevens drie kleine winkels.
Zoals hiervoor omschreven, bezat deze gemeente geen eigen raadhuis, doch hierin zou - op aandringen van Gedeputeerde Staten - in 1863 worden voorzien. De directe aanleiding hiertoe was een door de gemeenteraad verleende subsidie voor de bouw van een nieuwe pastorie.



In de openbare vergadering van de Raad dezer gemeente van 26 oktober 1860 werd een verzoek van het Kerkbestuur ontvangen om een subsidie uit de gemeentekas, ten bedrage van f 3500,- om te komen tot opbouw van een nieuwe Pastorie, waartegen de vroede vaderen geen bezwaar hadden: “zo men slecht verzekerd was, dat dezelve met goed overleg en doelmatig gebruikt zou worden, en de tijdelijke Pastoor daarvoor de verzekering zou geven”.
Besloten werd om een ontwerpbesluit tot verlening van een dergelijke subsidie gereed te maken. In de op 12 november 1860 gehouden vergadering kwam de burgemeester met vorenbedoeld ontwerpbesluit ter tafel, en werd voorgesteld om een subsidie te verlenen, zulks op de navolgende gronden: “aangezien het hier bestaande Pastoriehuis in deszelfs muur- en houtwerk versleten, onregelmatig en zwak gebouwd en met stroo gedekt, thans zoodanig bouwvallig is, dat hetzelve voor geene doelmatige herstelling vatbaar is, wordt de gehele vernieuwing daarvan noodzakelijk geacht”.



Een opgemaakte kostenbegroting voor nieuwbouw bedroeg f 6000,- Aangezien het Kerkenfonds, wegens deszelfs bekrompen financiële toestand niet meer dan f 2000,- kon bijdragen, bleef er een tekort van f 4000,- Doordat echter de ingezetenen bereid waren alle karrenvrachten tot aanvoer van stenen, kalk, hout, zand, enz. gratis te doen, kon een bedrag van de daarvoor geraamde kosten van f 500,- op de begroting in mindering worden gebracht, zodat de totale kosten van nieuwbouw f 5500,- zouden bedragen.

Tot het verlenen van de gevraagde subsidie van f 3500,- werd besloten, doch door Gedeputeerde Staten van Noordbrabant werd bezwaar gemaakt in dien zin, dat men vooraf een Raadhuis voor de gemeente diende te bouwen. Deze zienswijze van Gedeputeerde Staten waren wel enigszins begrijpelijk, aangezien de gemeente tot nog toe geen raadhuis bezat. De Raad vergaderde steeds in de z.g. “gerichtskamer” van het woonhuis van Burgemeester Mooren, tevens bierbrouwer, n.l. in het huis naast de bierbrouwerij, dat ongeveer in 1929 werd gesloopt en vervangen door de nieuwe woning, thans bewoond door de familie Mooren.

In de vergadering van 15 december 1860 werd het denkbeeld van Gedeputeerde Staten gedeeld, om te geraken tot de bouw van een gemeentehuis, te meer daar gemeend werd, dat daartoe een geschikte gelegenheid zou zijn door aankoop en verbouw van een huis van de Kerk, welk pand qua ligging ook een zeer geschikte plaats was voor een gemeentehuis. De Burgemeester en wethouder Thijssen werden aangewezen om de onderhandelingen met het Kerkbestuur te voeren.
In de daaropvolgende vergadering werd medegedeeld, dat het Kerkbestuur wel bereid was, om bedoelde woning met tuin van de R.K. Kerk, tegen billijke prijs aan de gemeente af te staan, zodra de nieuwe pastorie zou zijn voltooid. Besloten werd zulks aan Gedeputeerde Staten mede te delen en intussen hun goedkeuring te vragen op het raadsbesluit van 12 november 1860, waarbij bovengenoemde subsidie ad f 3500,- werd verleend.

In de vergadering van 22 januari 1861 werd door de Burgemeester medegedeeld, dat door de R.K. Kerk het huis met tuin, gelegen in het midden van de Kom, aan de grote weg tussen de Kerk en de School, en mitsdien op een geschikt punt der gemeente, om dit als Raadhuis te verbouwen, te koop werd aangeboden voor f 800,-, hetgeen zeer billijk werd geoordeeld, en door het Kerkbestuur laag gesteld was, uit erkentelijkheid voor de verleende subsidie voor de bouw ener Pastorie. De aanvaarding zou echter eerst kunnen plaats hebben, zodra de nieuwe Pastorie bewoonbaar zou zijn, wijl voornoemd huis tot dat tijdstip moest dienen als woning voor de Pastoor en de Kapelaan.

Ten bewijze, dat toen de woningen ook al schaars waren, schreef het Kerkbestuur, dat er geen andere geschikte behuizing, die onbewoond was, te vinden was voor tijdelijk verblijf voor Pastoor en Kapelaan. Inmiddels kon de Raad - zo staat er vermeld – die tijd benutten, om het plan vast te stellen, hoedanig het Raadhuis in te richten, ten einde daarmede dadelijk na de Pastoriebouw te kunnen aanvangen.

Met algemene stemmen werd het navolgende Raadsbesluit genomen: (22 januari 1861) “De Raad der gemeente Haps, heeft in openbare vergadering besloten: a. onderhandsch aan te koopen een van de Roomsch Katholieke Parochiale Kerk dezer gemeente toebehorend huis met tuin, gelegen in de Kom der gemeente en op de Kadastrale Legger der gemeentevoorkomende in sectie B nr. 338 en 339, ter grootte van 5 roeden 24 ellen, oor de som van f 800,- te aanvaarden binnen eene maand na de voltooiing der nieuwe Pastorie, die men voornemens is in dit jaar te bouwen. b. Het evengemelde huis te verbouwen en in te rigten tot Raadhuis, benevens een woning, dienstig, hetzij voor veldwachter of ander geschikt persoon, die genegen zal zijn, om zich te belasten met het schoonhouden en de zorg van verlichten en verwarmen der vertrekken van het Raadhuis”.

Dit raadsbesluit werd aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring ingezonden. Op 15 maart 1861 werd een afzonderlijke raadsvergadering gewijd aan het opmaken van een besluit tot aanvulling der gemeentebegroting, dienstjaar 1861, om daarop te brengen de uitgaafpost der verleende subsidie van f 3500,- voor Pastoriebouw en voor aankoop van het hiervoor genoemde huis. Om te illustreren, dat dergelijke begrotingswijzigingen in die jaren niet zo ingewikkeld waren, het zoeken van dekkingsmiddelen ook geen zware zorgen baarde, en dat nota bene voor die tijd toch bijzonder grote uitgaven, zomaar uit de gewone inkomsten (zonder geldlening of iets dergelijks) gedekt werden, volgt hier het volledige raadsbesluit tot wijziging dier begroting: De Raad der gemeente Haps heeft in een openbare vergadering besloten: a. aan de loopende begroting toe te voegen: onder hoofdstuk VII nr. 16 Subsidie aan het R.K. Kerkbestuur tot het bouwen eener nieuwe pastorie f 3500,- nr. 17 koopprijs voor huis en tuin voor Raadhuis f 800,- b. de volgende wijziging in die begrooting te brengen, als: nr. 15 de post ter belegging van gelden te verminderen met f 800,- voorts het waarschijnlijk batige slot te verminderen met f 3500,-



Nieuwe Burgemeester
Inmiddels kreeg Haps een nieuwe Burgemeester. Aan de Edelachtbare heer H. Mooren werd na ruim 30-jarige ambtsvervulling, met ingang van 1 januari 1862 op zijn verzoek op de meest eervolle wijze ontslag verleend, en werd als zodanig opgevolgd door zijn zoon Johannes Hermanus Mooren, die op 21 februari d.a.v. door de Commissaris des Konings als zodanig werd beëdigd en daags daarna met grote vreugde door de Hapse bevolking in zijn woonplaats als hun burgemeester begroet en ter vergadering geïnstalleerd. De oud-burgemeester nam tevens ontslag als lid van de Raad, terwijl bij een verkiezing ter voorziening in de ontstane vacature, gehouden op 22 juli 1862, de nieuwe burgemeester “met eenparige stemmen” door de kiezers tot Raadslid werd gekozen, waarna hij in de openbare vergadering van 4 september 1862 als zodanig de volgens de wet voorgeschreven eden aflegde. In diezelfde vergadering deelde de nieuwe burgemeester mede, dat de Pastorie haar voltooiing naderde, zodat het tijd werd om de Raadhuisplannen verder door te zetten. Het aangekochte huis leek de Raad echter nog in vrij behoorlijke toestand en men vond het bij nader inzien beter dit huis niet te slopen of te verbouwen tot Raadhuis, doch een ander bouwterrein aan te kopen. Het meest geschikte leek een perceel grond, in eigendom bij Willem Teunissen,c.s. Dit perceeltje grond, groot 5 roeden en 65 ellen (sectie N786) werd aangekocht voor f 75,-, doch aangezien dit te klein leek om hierop een gemeentehuis met woning voor de veldwachter te bouwen, zodat ook nog een behoorlijke tuin daarbij bleef, werd tevens nog een daaraan grenzend stukje grond, ter grootte van 2 roeden voor f 25,- aangekocht van oud-burgemeester Mooren.

Architect Aan J.F. Buijssen, architect en houtkoopman te Boxmeer werd opdracht gegeven een plan op te maken voor een geheel nieuw Raadhuis, met veldwachterswoning, waarin tevens een “sterke kamer” dienende tot opsluiting of wachtkamer van arrestanten, benevens een brandspuithuis moest worden aangebracht. Twee opgemaakte plannen werden in studie genomen, n.l. een plan met vooruitkomende grote stenen trappen tot opgang naar het “eigentlijke” Raadhuis of tweede verdieping en daaronder de ingang naar de beneden vertrekken, en het andere met de opgang tot het Raadhuis van binnen en verder met balkon voor de tweede verdieping of Raadhuis, bevattende beide plannen gelijke verdeling in de vertrekken. De keuze viel hierbij op het laatste plan (dus zonder trappen en met een balkon).

De begroting voor de bouw bedroeg f 4200,-. Bij openbare aanbesteding werd ingeschreven door zeven aannemers. De laagste inschrijver was Jacobus van Os, timmerman te Sambeek, voor f 3300,- Bij afmijning werd aan deze inschrijver de bouw gegund voor f 3200,- Door de gemeente zouden stenen, kalk en enig hout geleverd worden, terwijl ook het grondwerk van gemeentewege zou plaats hebben. Het aanvoeren van stenen vanaf de wal te Cuijk zou - bij wijze van hand- en spandienst - geschieden. De hoeveelheid door ieder aan te voeren werd bepaald, per paard.

Ten aanzien van de gehele bouw van het gemeentehuis komt een volgende specificatie voor bij een desbetreffende begrotingswijziging:
Openbare aanbesteding van het gebouw op13 januari 1863 f 3200,-
Aankoop van de grond f 100,-
Bij de aanbesteding werd bepaald, dat de gemeente zal leveren:
a. 102.000 stenen, n.l. (82.000 Gelderse van de steenoven van Ambrosius te Heerwaarden, en 20.000 gebrande maassteen, gestookt in de alhier aanwezige steenoven van J. van Daal) voor een bedrag van f 1300,-
b. 200 mudden kalk met de kosten van lassen (?) en 10 mudden tras f 210,-
c. stijgerhout en -planken f 40,-
d. arbeidsloon voor het graven van metselzand en verhoging van het bouwterrein f 100,-
Voor verdere nodige uitgaven f 50,- Totaal f 5000,-

(Uit de gemeenterekening van het jaar 1863 blijkt dat de zuivere kosten zijn geweest f 4995,47½ ). Deze kosten werden gedekt door opbrengsten van verkochte gronden en verkoop van Grootboekinschrijvingen.

Tijdens de bouw van het Raadhuis zou de veldwachter M. Engelman ontslag nemen en gaf als reden daarvoor op, dat zijn tractement niet voldoende was, doch de Raad meende toch, dat zijn bezoldiging, bestaande in f 170,- jaarlijkse inkomsten en vrije woning en tuin, benevens de daarbij komende emolumenten voor aflezen en afroepen, voor die post fatsoenlijk was en achtte daarom een verhoging van tractement overbodig, waarom het raadzaam geoordeeld werd een oproeping voor een nieuwe veldwachter te doen.

De nieuw benoemde veldwachter Paulus Vorsten, die, zoals vermeld is, een vrouw en drie inwonende kinderen had, kreeg nog van de Raad gedaan, dat enige veranderingen werden aangebracht in de in aanbouw zijnde woning onder het Raadhuis, waaromtrent we lezen, “dat de opgang tot de slaapkamer, in de keuken werd gemaakt in plaats van op de goot, omdat hij voornemens was die bedstede tot zijn gewoon gebruik te nemen en die opgang in de keuken bij winterdag en ongesteldheid veel gerieflijker zou vallen”.



Eerste steenlegging: Wanneer precies met de bouw van het Raadhuis begonnen werd, is niet precies na te gaan. Wel blijkt, dat de burgemeester in een vergadering van 24 april 1863 mededeelde, dat hoewel het nieuwe raadhuis reeds in aanbouw was, de werklieden wensten, dat door de leden van het Gemeentebestuur daaraan door elk een steen zou worden gelegd, onder de naam van “eerste – steenleggen”. Om aan die wens te voldoen, lezen we verder, hebben de afgetreden Burgemeester evenals de nieuwe Burgemeester, wethouders en leden van de Raad, benevens de Gemeentesecretaris en ontvanger zich naar het in aanbouw zijnde Gemeentehuis begeven, en in de voormuur elk een steen gelegd. In welke vorm hierop een tractatie volgde straat niet vermeld, doch wellicht zal hierbij het Hapse bier niet hebben ontbroken.

Blijkens mededeling van de Burgemeester in een vergadering van 7 oktober 1863 vorderde de bouw van het nieuwe Raadhuis goed, en werd toen besloten om enig meublement ten behoeven van de secretariekamer aan te schaffen, ten einde dit dan voorlopig te kunnen gebruiken. Een tafel, een dozijn stoelen en een kachel zouden worden aangekocht.

Op het einde van het jaar 1863 was het nieuwe gemeentehuis voltooid en in de maand december werd het gemeentearchief naar de nieuwe bouw overgebracht.



Omtrent de al of niet feestelijke opening en ingebruikname wordt in het gemeentearchief niets beschreven, doch we mogen wel met zekerheid aannemen dat daarbij een pittig Haps biertje niet zal hebben ontbroken.









Gemeenteraad Haps in april 1903 voor het oorspronkelijke gemeentehuis.

Na bijna 100 jaar is ditzelfde gemeentehuis nog steeds in gebruik. In 1903 werden de hardstenen trappen aangebracht, die blijkbaar bij het eerste plan ook al ter sprake kwamen. De trap van binnen en het balkon kwamen daarbij te vervallen. Van deze verbouwing getuigen de in de muren dier trappen ingemetselde hardstenen, met opschrift:



1903 1903
H.M. van Deursen, burg. J. Arts
C. Thijssen, weth. H. Mooren
F. Cuppen, weth. J. Selten   Raadsleden
H. Selten, secr. J. Cöp
  P.C. Lamers


Een kleine uitbreiding kwam in 1930 tot stand door bijbouw van een keuken aan de benedenwoning met daarboven een brandvrije kluis, die rechtstreekse verbinding kreeg met de secretarie.

Overigens is dit bijna 100-jarige gebouw met het jaartal MDCCCLXIII in zijn gevel nog steeds in gebruik, ondanks dat de bevolking van ruim 600 tot 2100 inwoners steeg, en de toename der administratie niet te vergelijken is met die van een eeuw geleden.

Het is dan ook te begrijpen dat het huidige gemeentebestuur plannen in studie heeft voor de bouw van een nieuw Raadhuis, dat niet alleen zal voldoen aan de totaal gewijzigde omstandigheden en behoeften, doch ook is gericht met het oog op verdere toekomst en op uitbreiding der gemeente.

Welk zal het eindcijfer zijn van het jaartal dat op het nieuwe gemeentehuis zal worden aangebracht??????? 196? (het werd 1969, nadat in 1968 het nieuwe gemeentehuis aan het Raadhuisplein officieel geopend was).




Haps, januari 1959







Document samengesteld door P.C. Thijssen, Oud-gemeentesecretaris.


Rond de sloop van het eerste gemeentehuis te Haps
1969



Ontvangst op het gemeentehuis van de nieuwe burgemeester van Haps
baron R.D.O. van Hövell tot Westerflier in 1951.


Laatste bewoners en de sloop van het oude gemeentehuis

Marinus Hendriks was de laatste veldwachter en met zijn gezin bewoner van de woning onder het gemeentehuis in Haps.




Hij werd geboren in Beers op 3 juli 1895 en op 1 maart 1926 in Haps tot veldwachter (1926-1955) benoemd waarna hij de woning onder het gemeentehuis betrok. Hij is daar blijven wonen, ook na zijn pensionering als opperwachtmeester van de Rijkspolitie (1955 - maart 1966). Met het oog op de sloop van het gemeentehuis verhuisde de familie in 1966 naar een woning aan de Rozengaarde in Haps waar het echtpaar tot 1985 heeft gewoond.


Echtpaar Hendriks bij viering 25-jarug ambtsjubileum

In dat jaar werd Marinus Hendriks opgenomen in bejaardencentrum ‘Aldendriel’ in Mill. Hij overleed in 1988 in zorgcentrum ‘De Lookant’ in Wanroy, een dependance van ‘Aldenriel’. Het eerste gemeentehuis in Haps stond daarna enkele jaren leeg, hetgeen de kwaliteit van het gebouw niet ten goede kwam! Restauratie, en daarmee het voorkomen van sloop, van het eerste gemeentehuis leek niet te voorkomen, mede gelet op de uitspraken van de toenmalige burgemeester R.D.O. Baron van Hövell tot Westerflier.


Uit een artikel uit De Gelderlander citeren we:
“Burgemeester R.D.O. Baron van Hövell tot Westerflier liet duidelijk merken dat afbraak het enige lot kon zijn van de bouwval. Het pand lekt aan alle kanten en herstel is te kostbaar. Als er nu nog sprake was van een monumentaal bouwwerk ………..” Raadslid Harrie Hendriks maakte kenbaar dat carnavalsvereniging De Zelfkant een serieus bod wilde uitbrengen om het oude raadhuis aan te kopen.

Verschillende raadsleden beschouwden dit als een carnavalsstunt en zagen dit niet zitten. Het voorstel van het College van B & W om over te gaan tot sloop werd aangenomen met 4 stemmen voor en 3 tegen. Daarmee was het voorstel van de heer Hendriks verworpen en waren de dagen van het ruim 100 jaar oude Raadhuis geteld. De firma Broeks uit Haps kreeg toestemming om het gebouw te slopen.




Sloop eerste gemeentehuis Haps (1863-1969).






Gezicht op kruising Marijkeplein - Kerkstraat - Beerseweg
met in het midden de voormalige pastorie met schuur.
en rechts de bakkerij met winkel van Hendrik van Daal.




Eind 20e en begin 21e eeuw denken met name veel oudere Hapsenaren met enige weemoed terug aan het vertrouwde beeld van het oude gemeentehuis dat met nog een aantal andere gesloopte panden beeldbepalend was in de Kerkstraat.





Dorpsstraat (later Kerkstraat) met links de smederij van Jan van Langen en het gemeentehuis. Rechts de huidige woning van de familie W. v.d. Bergh met daarachter café – zaal De Zwaan (Grada en Cor van Hooy).
De fiets rechts vooraan was van een klant van Grad en Jo D’n Bekker!





Nieuwe raadhuis, geopend in 1968 , bleef in gebruik als gemeentehuis tot
aan de gemeentelijke herindeling in 1996 (?), waarna het verbouwd werd
tot appartementencomplex en dienstencentrum.



Opnieuw uitgegeven en voorzien van foto’s,Haps, december 2009    P.J.M. (Pierre) Arts

Foto’s: Fotoarchief Theo Arts



naar begin