
Knotwilg in Linden.
Er is geen seizoen wat door de eeuwen heen, dichters en tekstschrijvers meer geinspireerd heeft en tot de verbeelding gesproken heeft als de lente, getuige ook het gedicht hierboven. Vooral de liefde wordt veel geassocieerd met de lente. En dit is niet iets van de laatste jaren want ook voor de oude Grieken stond de lente al symbool voor verliefdheid en nieuw leven. De natuur loopt uit, lammetjes worden geboren, de vogels laten zich steeds meer horen in hun ultieme pogingen om de vrouwtjes te imponeren en daarmee de mannelijke concurrenten te verslaan en zich op die manier van nageslacht te verzekeren. De natuur ontwaakt uit haar lange winterslaap. Voedingssappen stromen weer omhoog naar de takken van bomen en struiken en laten de knoppen opzwellen. De eerste bloemen verschijnen aan de hagen en in de velden. De bewerkte akkers worden groener, want koren- en koolzaadplantjes groeien opnieuw. Het weer is onbestendig; af en toe schijnt er een waterig zonnetje, dan valt er een maartse bui. Door regens en het smelten van de sneeuw treden beken en rivieren soms buiten hun oevers.
In april komt het plantenrijk echt tot leven. Jonge bladeren ontvouwen zich en tooien de bomen in zachte voorjaarstinten die uiteenlopen van geelgroen tot oranjerood. De fruitbomen hebben stralend witte bloemen. Bij het koolzaad ontluiken de eerste bloemen al.

Trekvogels, zoals de zwaluwen, keren langzamerhand terug. De temperatuur wordt steeds milder, maar soms daalt die nog onder het vriespunt. Als het nu erg koud wordt, bevriezen de bloesems van fruitbomen en loopt de hele oogst gevaar. Na enkele weken zitten de bomen goed in het blad. Langs de paden en in de weilanden trekken de bloemen veel bijen en vlinders aan.

Lentetafereel in Linden.
De witte meidoornhagen bloeien uitbundig, evenals de duizenden gele koolzaadbloemen, waardoor de velden er uitzien als reusachtige gele tapijten. In het nest piepen pasgeboren jongen om voedsel. Hun ouders vliegen af en aan met insecten en larven. De dagen zijn beduidend langer en de temperaturen stijgen. Het leven buiten wordt weer aangenaam.
Zo begint het beroemde gedicht van Herman Gorter, "Mei" genaamd, waaruit blijkt dat ook hij zich liet inspireren door de lente.
Maar wanneer begint die lente van Gorter en de Grieken nou eigenlijk en over welke lente hebben we het dan want we kennen het
begrip meteorologische lente en astronomische lente.
Volgens bronnen van het KNMI begint de meteorologische lente op 1 maart en deze duurt tot en met 31 mei althans ten noorden van
de evenaar. De astronomische lente echter begint rond de 21ste maart en de komende decennia vrijwel ieder jaar op 20 maart.

De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon, terwijl de meteorologische
als uitgangspunt heeft dat ieder seizoen drie complete kalendermaanden telt.
Bij het begin van de astronomische lente staat de zon precies boven de evenaar met als gevolg dat de dag en de nacht precies even
lang zijn.
Zo begint in 2009 de astronomische lente op vrijdag 20 maart om 12.44 uur. Die begindatum valt niet altijd op de 21e van de maand,
zoals vaak wordt gedacht. Sterker nog, de komende decennia begint de astronomische lente vrijwel ieder jaar op 20 maart.
Op de eerste dag van lente en herfst duren dag en nacht overal even lang
De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het
noordelijk halfrond (waar ook Nederland ligt) in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt daardoor in de zomer
langer dan in de winter.
Volgens de definitie van de astronomische lente duren dag en nacht op de eerste lentedag overal ter wereld even lang, maar niet exact. In ons land duurt de dag waarop de lente begint alweer ongeveer 10 minuten langer dan de nacht. Verschillen die het gevolg zijn van het feit dat de tijdstippen van opkomst en ondergang van de zon betrekking hebben op de bovenrand van de zon. Bovendien is de zon door breking van stralen in de atmosfeer nog kort zichtbaar terwijl zij in werkelijkheid al onder is
(Foto: Meteosat MSG)

een omwenteling van de aarde rond de zon is een (zonne)jaar
Een (zonne)jaar is gedefinieerd als de tijd die de aarde nodig heeft om rond de zon te draaien. De aarde draait in 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 45,1814 seconden om de zon. Als we ons van het verschil niets aantrekken en de duur van een jaar op 365 dagen afronden, dan komen we na vier jaar bijna een dag te kort. In het verre verleden zijn er verschillende methodes gehanteerd in een poging deze dag te compenseren en de seizoenswisselingen in de pas te laten lopen met een bepaalde datum. Sommige volkeren keken naar de omlooptijd van de maan, anderen hadden een kalender gebaseerd op zon en maan. Julius Ceasar voerde de zonnekalender in waarin een jaar 365 dagen en 6 uur telde. Eens in de vier jaar was er een schrikkeldag en telde 24 februari dubbel. Iedere eeuw is volgens de Juliaanse kalender echter 18 uur te lang en zo schoof het astronomische begin van de lente (het moment waarop dag en nacht precies even lang zijn) steeds verder naar voren.

In het jaar 325 had het Concilie van Nicaea besloten dat 21 maart voortaan het vaste lentepunt zou zijn; het Concilie van Trente machtigde de Paus in 1563 de kalender te hervormen. Een vaste datum was nodig voor de bepaling van de paasdatum (Paaszondag valt op de eerste zondag die volgt op de eerst volle maan na het begin van de lente.

Achter het klooster in St.Agatha
In 1582 liep men dus flink uit de pas en het lentebegin viel toen tien dagen eerder op 11 maart. Paus Gregorius werkte dat verschil weg door 4 oktober 1582 direct te laten volgen door 15 oktober 1582. Om een nieuwe verschuiving van het lentepunt te voorkomen bepaalde hij dat de jaren 1700, 1800 en 1900 geen schrikkeljaren zouden zijn.
Volgens de Juliaanse kalender, waarin elk jaar 11 minuten te lang duurde, waren dat wel schrikkeljaren en dat leverde in vier eeuwen tijd drie dagen teveel op. De kalenderhervorming van Gregorius, waardoor tien dagen uitvielen, leverde veel protest op onder boeren die heilig geloofden in weerregels die aan bepaalde data waren gebonden. De katholieke streken namen de nieuwe kalender weldra over, de protestantse veel later. Daardoor kende ons land in de 17de eeuw twee kalenders: als Utrecht nieuwjaar vierde was het in Amsterdam al 11 januari!
Het weer in dit seizoen vertoont doorgaans een grillig verloop. Abrupte temperatuurveranderingen, die onder andere het gevolg zijn van het nog relatief koude zeewater, zijn kenmerkend voor dit hele jaargetijde en kunnen ook in juni nog voorkomen. Wel neemt na half mei de kans op vorst sterk af en aan het eind van deze maand zijn temperaturen onder nul heel uitzonderlijk.

De stier 'exporum' te Cuijk
In dat opzicht markeren de IJsheiligen meestal de overgang naar een periode met een meer zomers karakter, maar in 1998 begon de zomer al eerder en kregen we het karakteristieke IJsheiligenweer met vorst aan de grond pas in de tweede helft van mei. Ook in lang vervlogen tijden was de lente soms heel laat, vooral tijdens de Kleine IJstijd, die zijn hoogtepunt bereikte in de zestiende en zeventiende eeuw. Legendarisch was de voorjaarskou in 1667 toen de koudegolf tot midden april aanhield en het weer in mei aan Kerstmis deed denken.
In de tweede helft van maart lag er nog zoveel ijs dat men met paarden de Zaan op ging. Eind maart lag de Zuiderzee nog dicht. In Duitsland vroren de Elbe, Weser en andere rivieren in maart weer dicht en er viel nog volop sneeuw bij harde wind. En ook drie jaar later, in 1670 staan onze voorouders begin april nog op de schaats en half april heeft het scheepvaartverkeer nog last van het ijs. Uniek was ook de extreem koude lente van 1740, die volgde op een van de ijzigste winters ooit. De trekvaart tussen Haarlem en Leiden lag 80 dagen stil door het ijs. Op 13 maart rijdt men nog met wagens en sleden over de Zuiderzee, het ijs heeft een dikte van naar schatting 50 tot 60 cm. De temperatuur komt in maart nauwelijks boven de 5 graden en zelfs in mei sneeuwt het nog.
IJsheiligen is een van de oudste en wellicht het bekendste begrip uit de volksweerkunde. De eerste berichten over deze "strenge heren" dateren van rond het jaar 1000. De IJsheiligen zijn St. Mamertus, St. Pankratius, St. Servatius en St. Bonifacius. Zij vieren hun naamdagen op achtereenvolgens 11, 12, 13 en 14 mei. Drie is het heiliggetal en daarom rekent men er in de meeste landen maar drie tot de IJsheiligen. In sommige landen wordt St. Mamertus niet meegeteld, in andere landen hoort St. Bonifacius er niet bij. Deze heilige is niet de bekende Bonifatius, (bijgenaamd de Apostel van Duitsland), die in 754 te Dokkum werd vermoord want die heeft zijn feestdag op 5 juni. Zijn naamgenoot, de IJsheilige Bonifacius was een Romeins burger, die in 307 de marteldood stierf tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus.

Panorama op Cuijk en de Martinuskerk
Sommige landen, waaronder Duitsland, Hongarije en Zwitserland, rekenden in het verleden ook 15 mei (ook wel aangeduid als koude Sophie) nog tot de IJsheiligen. Dat dateert uit de elfde eeuw, toen Sophie beschermelinge van de vorst was. In het Alpengebied werden indertijd op die dagen vuren ontstoken ter bescherming tegen de vorst.

De meidoorn in volle bloei in St.Agatha
De IJsheiligen ontlenen hun benaming aan het gevaar van koud voorjaarsweer voor het gewas, dat in deze tijd in volle bloei staat. Een late vorstnacht kan nu veel schade aanrichten. Het is echter niet zo dat tijdens de IJsheiligen de kans op een overgang naar koud weer groter is dan op andere dagen in het voorjaar.
De medewerkers van de FAD wensen u en de uwen een prachtige lentetijd
Bronvermelding: Foto Archief Dienst Cuijk